Gedichten en Toneelstukken

Zijn hele lange leven, Jean scheltinga overleed (in 1965) op 80 jarige leeftijd, heeft hij gedichten geschreven.
Een flink aantal van deze gedichten zijn in de "dertiger jaren" gepubliceerd in de toenmalige geillustreerde weekbladen.

Voor deze gedichten gebruikte hij, heel bescheiden, alleen zijn eerste voornaam: "Jean".

Oudere klanten van de drogisterij zullen zich nog zeker de "Sinterklaas en Kerstmis akties" uit die tijd herinneren.
Iedereen, die voor een nominaal bedrag een cadeau kocht, kon daar desgewenst een toepasselijk gedicht op naam bij krijgen. Gedichten die Jean François ter plekke schreef, terwijl de gulle gever er op wachtte.

Het is echter veel minder bekend, dat Jean Scheltinga ook een drietal toneelstukken heeft geschreven.
Hiernaast een recentie uit de krant waarin, de "loftrompet" wordt gestoken, over het derde en laatste toneelstuk, dat hij schreef: "De erfenis van Oom Valentijn".

Om U een idee te geven, van Jean François' gedichten, staan hieronder twee voorbeelden. De een is komisch, de ander ernstig. Ze zijn beide geschreven eind twintiger jaren, dus natuurlijk een "beetje uit de tijd".

DE TWEE VAGEBONDEN.

Hoe hadden ze elkaar gevonden,
Die twee doortrapte vagebonden!
Deugd was voor hen een holle klank,
Ze leefden voor tabak en drank!
Was ‘t wonder dat hun zwarte zielen,
Van het ene kwaad in ‘t ander vielen?
Eens zaten zij, het was nog vroeg,
Fladderak te drinken in een kroeg;
Pas waren ze uit de kast ontslagen
Dus geld op zak, ze konden het wagen.
Kom vriend, sprak d’een: “Kom laat ons klinken
En op de schone vrijheid drinken".
De avond van die zelfde dag
Ging ‘t edel stel weer aan de slag.
Ze braken in bij Jan Kombuis,
De heer des huizes was niet thuis;
Terwijl z’n vrouw ter rust zich vlijt,
Zat Jan nog in de societeit.
De dieven zochten ongestoord,
Naar ‘t schoon metaal dat hen bekoort.
De zilv’ren lepels en de vorken
En boven lag mevrouw te snorken,
Totdat ze opeens, ze werden bang
Iets hoorden stommelen in de gang!
‘t Was Jan Kombuis, die niet recht fris
Bevreesd voor ‘t dierbaar vrouwtje is,
Dat kortgeleden op een nacht,
Hem met veel kracht heeft bijgebracht
Dat hij voortaan op tijd moet wezen.
‘t Is juist twee uur, met angst en vrezen
Denkt Jan: “Wat zal ‘t er nu weer spannen”,
In ‘t donker naderen hem de mannen…
Jan wil gaan spreken, heel bewogen
"Ach vrouwlief heb toch mededogen”
Maar krijgt een doffer op z’n ogen!
De boeven kozen ‘t hazenpad,
Jan lag beneveld op de mat,
Maar strompelt langzaam weer naar boven.
Kon daar z’n ogen haast niet geloven,
Denkt: “Wat is hier nu aan de hand..?"
Ze ligt zowaar in ‘t ledikant.
Maar in de gang was ‘t toch niet pluis,
Is dan de duivel hier in huis..?
En mompelt: “’k ben toch heus niet vet”,
Stapt met een reuzezwaai in bed!
De volgende morgen aan ‘t ontbijt
Vraagt vrouwlief: “Was je wel op tijd..?
Hoe komt die buil daar bij je ogen..?"
Toen heeft ie voor het laatst gelogen:
“Och schat, ik denk ‘n soort gezwel,
Heb maar geen zorg, dat betert wel..!"

Jean

*****

Menig Sinterklaas gedicht is uit zijn "pen gevloeid".
Hiervan een voorbeeld, dat werd gepubliceerd in een landelijk weekblad, kort voor de uitbraak van WO2.

Als de winterstormen loeien en de thermometer daalt,
Wordt het paard van Sinterklaasje, zoetjes-aan van stal gehaald.
Klinken weer de melodieën van het oud vertrouwde lied
Van het maantje door de bomen en de knecht, die alles ziet !
Dan klopt weer het kinderhartje vol verwachting en ontzag
Schuldbewust en nog onzeker, wat de feestdag brengen mag.
Dan is weer de tijd gekomen, voor surprise en pakket,
Dan wordt Sint Niklaas z'n spaarpot in cadeautjes omgezet.
Zij zit stilletjes te dichten in 'n afgelegen hoek.
Of plakt namaak confituren op een imitatie-koek.
Hij koopt "Dorothee" in letters en een hart van marsepein
Moet als 't liedje zonder woorden, 'n stille déclaratie zijn.
Al wat reeds begint te grijzen denkt aan eigen kindertijd
Aan de Sint van vroeger jaren, vol vervlogen "zoetigheid"
Wat de tijd heeft weggenomen, wat voor nieuws de wereld bracht,
't Oude feest zal jeugdig blijven, Sint Niklaas behoudt zijn macht.
Zo lang het maantje nog blijft schijnen en te geven zalig heet,
Zal de Sint adressen vinden waar men hem te ontvangen weet.

Jean

Terug naar de INLEIDING.